"complex"
Vindplaats Eemster inzet bij strijd om erkenning.
Vermaning begrijpt niet waarom professionele archeologen zijn ontdekkingen als vervalsingen gaan beschouwen. De rechtbank spreekt Vermaning daarvan in hoger beroep vrij en doet geen uitspraak of de vuursteenartefacten echt of namaak zijn. Na de rechtszaak gaan zowel de aanklagers als de verdedigers door met het leveren van nieuw bewijs. De affaire wordt alsmaar complexer. Voor en na de rechtszaak zijn er vele gebeurtenissen die met elkaar verweven zijn. En dat gaat tot op de dag van vandaag door.
Tjerk Vermaning was vastbesloten om aan te tonen dat Neanderthalers in Nederland hadden geleefd. Hij had daarover herhaaldelijk gesprekken met archeologen, waaronder conservator en archeoloog J.D. van der Waals van het Drents Museum (1959-1966). Van der Waals raakte geïrriteerd omdat Vermaning hem maar bleef opzoeken en steeds opnieuw over het onderwerp begon met de bewering dat hij het bewijs zou gaan vinden.
Van der Waals herkende geen prehistorische werktuigen in de losse vuursteenvondsten die Vermaning aan hem toonde. Volgens eigen zeggen viel Vermaning hem er regelmatig mee lastig. Het waren volgens Van der Waals pseudo-artefacten. Pseudo-artefacten zijn objecten die op het eerste gezicht lijken op echte werktuigen, maar in werkelijkheid zijn gevormd door natuurlijke processen. Pseudo-artefacten zijn vaak te herkennen aan splijting door vorst van fossiele resten in het vuursteen. Die splijtvlakken vertonen vaak ronde ringen met ribbels, en drukkegels zonder afslagbult. Pseudo-artefacten vertonen vaak heel onregelmatige drukretouche op de randen. Hoewel zulke vuursteenvondsten op werktuigen kunnen lijken, zijn die kenmerken door natuurlijke processen ontstaan. De kennis van Vermaning was voldoende om deze verschijnselen te herkennen.
Vermaning sprak zich tegenover de pers kritisch uit over de beroepsarcheologie. Van der Waals is daar niet blij mee, maar Vermaning blijft aanvankelijk welkom. Van der Waals gaf wel toe dat Vermaning met de vondsten uit Hoogersmilde had aangetoond dat Neanderthalers in Nederland verbleven. Maar nadat in 1975 Dick Stapert zijn twijfels uitsprak over de echtheid van de artefacten, nam de argwaan snel toe bij Van der Waals. Vanaf dat moment hernoemde hij de bezoekjes van Vermaning als ‘langskomen om kletspraatjes te houden’. Desondanks erkende Van der Waals dat Vermaning een uitzonderlijk talent had om artefacten te vinden. Maar de vriendschap tussen hem en Vermaning is niet meer zoals daarvoor. Na de bevindingen van Stapert wordt weinig positiefs meer gezegd over Vermaning en zijn vindplaatsen, en Van der Waals zet grote vraagtekens bij de betrouwbaarheid van de vondsten. En dit blijft merkwaardig, omdat Van der Waals met een team archeologen in 1965 bij Hoogersmilde in naar eigen zeggen ‘ongerepte grond’ volledig identieke stukken opgroef als Vermaning daar op de akker had gevonden. Desondanks stemt Van der Waals in 1975 in met het idee van Stapert dat Vermaning de vuursteenwerktuigen op een slimme manier in de grond zou hebben geplaatst.
▲ Foto: Tjerk Vermaning toont een van zijn ‘vondsten', de blauwmeerbijl, Hoogersmilde. De foto uit circa 1969 komt uit het Beeldarchief van Betsie Hindriks. Zij was in de laatste vijf levensjaren van Tjerk Vermaning zijn vriendin en steunde hem tot ver na zijn dood.
Kloof tussen Vermaning en wetenschap steeds dieper.
Tjerk Vermaning voelde al geruime tijd weerstand, met name vanwege de culturele kloof tussen hem en de academisch opgeleide archeologen. Hij voelde zich aan de kant gezet en hij was teleurgesteld dat hij niet de erkenning en prijzen kreeg die hij verwachtte voor zijn ontdekkingen. Vermaning nam het Van der Waals en andere archeologen bijvoorbeeld kwalijk dat hij geen koninklijke onderscheiding ontving op Koninginnedag, dat de culturele prijs van Drenthe in 1966 ook al naar anderen ging en dat hij geen eredoctoraat kreeg. De verstandhouding tussen Vermaning en de beroepsarcheologie was slecht en werd nog verergerd door zijn openlijke kritiek in de media. Professor Waterbolk en veel andere archeologen vormden een front tegen Vermaning. Waterbolk zegt bijvoorbeeld dat Vermaning ‘geen exclusieve kennis over archeologie’ heeft. Als de rechtszaak start is er geen enkele professionele archeoloog meer bereid om Tjerk Vermaning te verdedigen
Een groot raadsel blijft wat er zich achter de schermen van het B.A.I. van professor Waterbolk heeft afgespeeld. Er zijn geruchten dat de onderlinge sfeer op het instituut destijds niet altijd even prettig was. In 1985 verscheen een bericht in de Telegraaf over beroepsarcheoloog A. Bruin die werkzaam was voor de Rijksdienst Oudheidkundig Bodemonderzoek. Bruin laat weten dat Tjerk Vermaning slachtoffer was van een hetze die tegen hem gevoerd werd. De krantenkop luidde: "Stenen uit de collectie van Vermaning zijn absoluut echt". Over de rechtszaak tegen Vermaning zegt Bruin: “Als ik daar stond om de zaak-Vermaning te verdedigen, bleef van die hele aanklacht geen spaan heel.”
Tjerk Vermaning houdt Eemster 1 geheim voor professionele archeologen.
In november 1972 is Vermaning bij de aardappelmeelfabriek Oranje. Hij ontdekt bewerkte stukken vuursteen tussen de machinaal gerooide aardappelen uit Eemster. Al verscheidene jaren staat hij tijdens het aardappelseizoen vrijwel dagelijks bij de steenvangers van de aardappelmeelfabriek. Hendrik-Jan Boer, een medewerker van de Avebe aardappelmeelfabriek Oranje, tipte in de jaren '60 en '70 Vermaning regelmatig wanneer er mooie stenen tussen de nieuwe oogst zaten. Hij zou zelfs een prachtige vuistbijl aan Vermaning hebben overhandigd die hij had gevonden in een steenvanger. Deze vondsten leiden Vermaning op een dag naar de vindplaats Eemster waar hij vervolgens 160 stukken opraapt. Vuistbijlen, schrapers, speerpunten en snavelboren ontdekt hij er op een en dezelfde akker. Hij voelt zich de ontdekker van het grootste mammoetjagerskamp van Europa. Maar hij houdt de plek geheim.
De vindplaats is een akker nabij het kleine dorp Lhee, maar Vermaning wil de plek niet delen met professionele archeologen. Hij noemt de vindplaats daarom Eemster, een dorpje niet ver er vandaan. Tot in 1973 zoekt hij met zijn vrouw op de vindplaats Eemster. Het totaal aantal gevonden artefacten groeit aan tot 243 stuks. De wetenschappelijke waarde van deze vondsten is groot, aangezien het dit keer gaat om een Neanderthaler kampement van 250.000 jaar of meer geleden. Het zou met die ouderdom ook om een kampement kunnen gaan van een groep Heidelberg-mensen. En het lijkt het oudste kampement uit de prehistorie voor zover dan bekend van Nederland. Op 25 oktober 1973 vertelt hij in artikel van de Leeuwarder Courant voor het eerst over de bijzondere vondstgroep.
Na de ontdekking van Eemster door Vermaning, zijn er nog zo’n tien vindplaatsen in Nederland geïdentificeerd die toegeschreven worden aan de Heidelbergmens. De meest opvallende ontdekking vond plaats in de Belvédèregroeve bij Maastricht in de jaren 80. Daar vinden beroepsarcheologen waaronder professor Wil Roebroeks van de Universteit Leiden werktuigen die waarschijnlijk ook vervaardigd zijn door de Heidelbergmens. De archeologen dateren ze op rond de 250.000 jaar geleden.
In 1965 en 1967 waren de vondsten van Hijken en Hoogersmilde opgeëist door de wetenschappers en tot schatvondsten verklaard. Tjerk Vermaning wilde die vondsten voor zichzelf en zijn museum houden, maar hij was verplicht om de artefacten af te staan. Dat liet Vermaning met de Eemster-collectie niet gebeuren en hij besloot daarom de vindplaats niet te melden. De collectie was niet bekend bij het BAI, totdat archeoloog De Leeuw op zijn museumschip kwam. Vermaning kende deze man niet en hij toonde hem ondermeer de nieuwe vondstgroep. Toen De Leeuw zich daarop alsnog bekend maakte, vroeg Vermaning hem tevergeefs zijn ontdekking geheim te houden. Zo kwam Waterbolk via De Leeuw achter de nieuwe vondstgroep. Op 25 februari 1975, doet Waterbolk een poging om achter de vindplaats te komen. Zonder vindplaatsgegevens heeft kennis van de collectie geen waarde. Maar Vermaning wil de vindplaats niet melden, omdat hij dan mogelijk ook deze groep artefacten zou moeten afstaan.
Vermaning wilde in zijn eigen museum zijn belangrijke vondsten ten toon stellen. De ouderdom van de Eemster-vondsten zouden zijn museumschip uniek maken. De aanzienlijk minder oude vondsten van Vermaning uit Hoogersmilde en Hijken liggen na de aankoop door de Groningse beroepsarcheologen in het museum van Assen. Waterbolk biedt 45.000 gulden voor de collectie Eemster. Maar Vermaning geeft geen krimp. In de Leeuwarder courant van 13 oktober 1972 laat Waterbolk weten dat Tjerk Vermaning de collectie liever in het buitenland verkoopt voor een betere prijs. Het lijkt een poging om Vermaning tot verkoop aan hem over te halen. Ondertussen insinueerden de archeologen dat Vermaning geen toestemming had gevraagd aan de eigenaar van de akker van de vindplaats Eemster. Maar Vermaning weigert zijn Eemster-collectie te verkopen. En hij voorkomt dat Waterbolk alsnog de exacte locatie van de vindplaats achterhaalt en de Eemster vondsten als schatvondsten kan opeisen.
Na het incident met De Leeuw verliest Vermaning al zijn vertrouwen in de beroepsarcheologen. In het interview met de Leeuwarder Courant van 25 oktober 1973 over de nieuwe Eemster-vondsten sprak Vermaning al over de slechte verhoudingen met de Nederlandse archeologen. Vermaning zegt onder meer dat hij geen Nederlandse archeologen aan boord van zijn schip toelaat, maar dat archeologen uit Frankrijk en België welkom zijn. Het lijkt toeval, maar drs. Stapert trekt toevallig omstreeks dezelfde tijd zijn conclusie dat de eerder aangekochte vuurstenen werktuigen van Vermaning vals zijn. Zoals al vermeld, prof. Waterbolk doet aangifte wegens oplichting en er volgt een rechtsgang. De professor die nooit de Eemster-vondsten had onderzocht of zelfs maar in handen gehad, verklaart na de rechtszaak dat ook de vondstgroep Eemster een vervalsing is.
Van der Waals: ‘Vermaning weet teveel voor een amateur’
Na de veroordeling in de rechtszaak in 1977 en de vrijspraak in het hoger beroep in 1978 ontstaat er in Archeologisch Nederland een diepe tweespalt. De centrale vraag is sindsdien of de stenen van de amateurarcheoloog echt zijn of niet. Dr. Bohmers van het Biologisch-Archeologisch Instituut van Groningen was vanaf de jaren vijftig de deskundige. Vermaning vertelt over Bohmers dat ‘hij het blijkbaar niet heeft aangedurfd’, omdat er niet eerder in Nederland dergelijke oude vondsten in die samenstelling waren gevonden. Bohmers beweerde dat de stenen pseudo-artefacten zijn; ze lijken echt, maar zijn door de natuur en in elk geval niet door mensenhanden gevormd. Vermaning liet zich niet ontmoedigen. In 1963 vond hij een afslag uit het Midden-Paleolithicum, een stuk dat afgeslagen moest zijn bij het maken van een vuistbijl. Voor het eerst kreeg hij erkenning van Dr. Bohmers.
Twee jaar na de eerste erkende vondst deed Vermaning in januari 1965 zijn eerste grote vondst. Na acht jaar eigen wetenschappelijk onderzoek, waarvan drie jaar voorstudie en vijf jaar terreinverkenning, ontdekte Vermaning dichtbij de televisietoren van Hoogersmilde twee kleine pleisterplaatsen van mammoetjagers. Ze zijn uit de tijd van de Neanderthaler en ongeveer 70.000 jaar oud. In die eerste acht jaar raakte Vermaning al regelmatig in conflict met het Biologisch Archeologisch Instituut van Groningen. Als man zonder opleiding deed hij allerlei vondsten, waar hij erkenning voor zocht, uiteindelijk wilde hij die het liefst in de vorm van een ere-doctoraat. Ondanks al zijn expertise en ervaring, voelt hij zich belemmerd door de diplomademocratie in Nederland. Vermaning kan niet schermen met een academische opleiding in de archeologie.
Een ere-doctoraat wilde Tjerk Vermaning niet zomaar. Hij kende het verhaal van Alfred Rust, een Duitse amateurarcheoloog die ook vondsten uit de prehistorie en enkele belangrijke ontdekkingen had gedaan. Rust ontdekte bijvoorbeeld zogenaamde ‘veldjes’ (kampementen) van Mesolithische jager-verzamelaars. De amateurarcheoloog kreeg alle ruimte om daarover te publiceren in vaktijdschriften en ontving zelfs een eredoctoraat in Duitsland. Tjerk Vermaning wilde ook wetenschappelijke erkenning met een eredoctoraat. Toen dat maar niet dichterbij kwam voelde Vermaning zich steeds meer miskend. En miskend voelde hij zich vooral door de toen nieuwe directeur van het Biologisch Archeologisch Instituut, professor Waterbolk. In Het Vrije Volk van 4 juli 1974 haalt Vermaning de woorden aan van conservator Van der Waals van het Drents Museum, die in een onbewaakt ogenblik tegen hem had gezegd: “Jij weet te veel en daar houden wij niet van.”
Tjerk Vermaning ging te ver volgens Waterbolk. Hij had de nieuwe vindplaats Eemster niet gemeld bij de autoriteiten, hoewel dat wettelijk verplicht is bij schatvondsten. Vermaning vertelt wat Waterbolk daarover tegen hem zei: “Moet je luisteren, zegt hij, jij denkt dat je de hele archeologie in pacht hebt, maar we vinden een manier om je klein te krijgen. Dat heeft Waterbolk tegen me gezegd. In 1975 hebben ze mij dus aangeklaagd.” Toen Vermaning werd gearresteerd volgde er een persconferentie waar professor Waterbolk zijn vermoedens van valsheid onthulde voor de opgetrommelde Nederlandse pers.
De ontdekker van de vermeende vervalsing was zijn assistent, drs. Stapert. Stapert was nog maar pas afgestudeerd als geoloog. Hij was geen archeoloog of kenner van artefacten. Volgens Vermaning had Stapert maar weinig kennis van stenen werktuigen. Vermaning vertelde dat de paar vondsten die eerder door anderen verspreid over het land waren gedaan, glansden, terwijl zijn eigen vondsten mat en dof waren. Hij dacht dat Stapert en Waterbolk daardoor op het verkeerde spoor waren gezet. De aan- of afwezigheid van glans leidde tot een eindeloze en verwarrende technische discussie tussen deskundigen uit binnen- en buitenland. De discussie wordt ook uitgevochten tijdens de twee rechtszittingen in 1977 en 1978, maar er komt geen conclusie. In december 1978 besluit de rechtbank in Leeuwarden Vermaning vrij te spreken wegens gebrek aan bewijs.
"Een opgraving op de vindplaats Eemster kan het bewijs leveren van mijn onschuld."
De vraag was, is en blijft of het bewijs van valsheid eigenlijk wel geleverd kan worden. Vermaning vertelde dat het enige dat de wetenschappers hoeven doen, is een opgraving starten op de geheim gehouden vindplaats Eemster. Vermaning: “Eemster leent zich voor een opgraving en kan het bewijs leveren van mijn onschuld.” Vermaning vertelt in het VPRO interview uit 1986: "Ik moet precies zeggen hoe dat allemaal zit. (…) Er waren ongeveer 350 stukken. Die heb ik verkocht aan twee amateurarcheologen, de heer Pieter Dijkstra uit Veldhoven en Evert Musch uit Anloo, voor 7000 gulden. Ik heb afstand gedaan van die vindplaats omdat ik het niet meer kan volhouden vanwege mijn gezondheid. Ik heb verschillende hartaanvallen gehad en kan de spanning niet meer aan." Vermaning wil geen gedoe meer. Hij zegt: "Je koopt geen stukken van 7000 gulden als je denkt dat ze vals zijn. Dus dat doe je niet. Die mensen wisten dat ze echt waren." Jan Evert Musch was werkzaam bij het Biologisch Archeologisch Instituut (B.A.I.) en onder leiding van prof. Waterbolk. Een ernstig conflict tussen Waterbolk en Musch leidde tot zijn vertrek bij het B.A.I. Musch is een belangrijk actief lid van de APAN.
De provincie Drenthe stelde midden jaren tachtig 100.000 gulden beschikbaar voor een opgraving in Eemster. Vermaning was dolgelukkig. De opgraving zou worden uitgevoerd door de Nederlandse Stichting Archeologie. Maar Jan Evert Musch, de man die een deel van de collectie Eemster had overgenomen van Vermaning, wilde de artefacten niet afstaan aan de stichting. Musch vertrouwt de stichting niet, aangezien een van de grote mannen daar professor Louwe Kooijmans van de Universiteit Leiden is. En Kooijmans doet handjeklap met professor Waterbolk en is niet objectief zegt Musch. Louwe Kooijmans bood aan om als second opinion de opgraving te leiden. Waterbolk betwijfelde de noodzaak van de opgraving en benadrukte dat er weinig bewijs te vinden zou zijn. Uiteindelijk besluit Louwe Kooijmans dat eerst de stenen van Eemster 1 moeten worden onderzocht. Daarna zou een opgraving volgen. Dit leidde tot verwarring en tegenwerking van de overige APAN amateurarcheologen. Ook Pieter Dijkstra laat met een brief uit 1985 vervolgens weten, geen vertrouwen te hebben in de voorgestelde werkwijze. De APAN-leden eisen dat eerst de opgraving van Eemster 2 moet plaatsvinden om tot een onafhankelijk en objectief oordeel te komen.
De plannen voor een ‘second opinion opgraving’ Eemster 2 leidt opnieuw tot frustraties, ontevredenheid en wantrouwen tussen amateurarcheologen en de professionele archeologen. Op 17 oktober 1985 schrijft Ad Wouters een brief aan Vermaning. Wouters vraagt Vermaning of hij en sommige van zijn APAN-vrienden er geen politiek spel van willen maken. Wouters dringt er op aan het archeologisch belang voorop te zetten en niet via de media aan te dringen om smartengeld van een miljoen gulden, zoals Vermaning vertelde in een radioprogramma van de KRO. Vermaning zou daarmee de beroepsarcheologen die nog wel achter hem staan kwijt kunnen raken. Ad Wouters adviseert Vermaning om de opgraving niet door de Nederlandse Stichting Archeologie alleen te laten doen maar ook door de Rijksdienst Oudheidkundig Bodemonderzoek (R.O.B.). Vermaning moet standvastig blijven en niet toegeven aan de druk voor zijn eerherstel, schrijft Wouters. Hij raadt hem aan om tijdens interviews zijn emoties onder controle te houden.
Ad Wouters is ervan overtuigd dat de R.O.B. de opgraving is toe te vertrouwen en dat de R.O.B. het bewijs van Vermanings onschuld kan aantonen. Wouters wijst Vermaning ook op schending van de geheimhouding door drie APAN-leden, omdat die het komende onderzoek hebben doorgebriefd aan journalisten van het Nieuwsblad van het Noorden. Een interview met Karst Janssen van de R.O.B. in de Telegraaf van 8 oktober 1985 bevestigt het betoog van Ad Wouters dat de Rijksdienst er mee bezig was.
De opwinding en emoties maken in 1985 een opgraving Eemster 2 onmogelijk. Ad Wouters en Evert Musch zijn het niet eens met de beslissing van het APAN-bestuur om de opgraving uit te laten voeren door L. Kooijmans. Zonder samenwerking met de R.O.B. ziet Wouters er geen heil in. Wouters schort daarop zijn banden met APAN op en APAN-lid Jan Evert Musch volgt zijn voorbeeld.
Vermaning verwachtte dat de officiële archeologen zich in allerlei bochten zouden wringen om het definitieve bewijs van de echtheid van de artefacten te ontlopen. Vermaning denkt dat Waterbolk en Stapert bij een opgraving in Eemster in de problemen komen, als er artefacten worden gevonden met dezelfde kenmerken, krassen en slijtage. Mogelijk komen er dan stukken boven de grond die perfect passen bij de stukken die Vermaning zelf had gevonden. Waterbolk en Stapert zullen dan hun blunders moeten toegeven en het hele Biologisch-Archeologisch Instituut van Groningen zal ten onder gaan, denkt Vermaning. Vermaning beweert ook dat het gerechtelijk laboratorium in Rijswijk, met name dr. Groeneveld en dr. Witte, heeft samengespannen met prof. Waterbolk, drs. Stapert en prof. Bozinski uit Keulen. “Dit kunnen we bewijzen” zegt Vermaning, “Ze deden dit al eerder om elkaar te beschermen.” Waterbolk weigert om commentaar te geven op die uitspraken van Vermaning. Hij zegt al jarenlang geen commentaar meer te geven op Vermaning.
Gedreven door zijn verlangen naar eerherstel is de Eemster opgraving voor Vermaning het belangrijkste motief. Tjerk Vermaning schrijft daarom een brief aan de Leidse professor Kooijmans om hem over te halen voor een opgraving op de geheime vindplaats in Eemster. Kooijmans is daartoe bereid en komt in februari 1986 samen met dr. Roebroeks langs om over de opgraving te praten. Afgesproken wordt dat in een vervolggesprek Vermaning de vindplaats Eemster aanwijst. Niet lang daarna voelt Vermaning zich belazerd, omdat Kooijmans hem een brief stuurt dat hij inmiddels contact heeft gezocht met andere instituten waaronder het B.A.I van Waterbolk. Dat is volgens Vermaning niet de afspraak. Vermaning stuurt hem daarop een brief terug waarin hij verklaart dat hij de vindplaats niet aanwijst, als zijn vijanden, die zijn gezin hadden verwoest, betrokken worden bij de opgraving in Eemster. Het provinciaal bestuur van Drenthe legt uiteindelijk een ultimatum op en de opgraving wordt geannuleerd. De provincie Drenthe trekt de 100.000 gulden voor de opgraving in. Professor Waterbolk is opgelucht.
Tjerk Vermaning ging op de vindplaats nauwkeurig te werk. Hij registreert iedere vondst, nummert ze in de gevonden volgorde en plaatst vlaggetjes. Zo krijgt hij een overzicht. Hieronder, “ Eemster 1.” Enkele vuursteen werktuigen die in 1972 zijn gevonden door Tjerk Vermaning. Getand werktuig, convexe schaaf en biface.
▲ Enkele van de 144 afslagen van “ Eemster 1”. De afslagen maken duidelijk dat er een midden-paleolithische productieplaats was.
Spitsschaaf.
Ondanks de nieuwe teleurstelling en de negatieve impact daarvan op zijn gezondheid, bleef Vermaning vastberaden vechten voor eerherstel. Hij hield dat vol, omdat hij simpelweg geen onrecht kon verdragen. Die vastberadenheid toont aan dat hij oprecht gelooft in zijn onschuld. Vermaning wil na de rechtszaak zijn naam zuiveren en zoekt naar rechtvaardigheid. De VPRO zend hierover in 1986 voor Rubriek 'De Afloop', waarin oude kwesties onder de loep worden genomen, een radio-interview uit met Vermaning. Dit radio-interview van de VPRO geeft veel inzicht in de gebeurtenissen. De affaire eiste zoveel van Vermaning, dat hij besloot afstand te doen van zijn gehele collectie prehistorische artefacten. Een groot deel daarvan verkoopt hij tijdens een antiekbeurs in Emmen in februari 1987. Anderhalf jaar na de annulering van de Eemster opgraving, sterft Vermaning op 11 oktober 1987. Zijn as laat hij overeenkomstig zijn laatste wilsbeschikking uitstrooien op de vindplaats Hoogersmilde. Professor Waterbolk gaat hetzelfde jaar met pensioen.
Opgraving Eemster 2 door prof Roebroeks leidt tot niets.
De locatie van zijn Eemster-vondstgroep hield Tjerk Vermaning niet geheim voor enkele van zijn APAN-vrienden. Jaren na het overlijden bezoekt amateurarcheoloog Klaas Geertsma de plek. Met een schep vindt Geertsma op de site een kleine discoïde (zie afbeelding a) op een diepte van 60 tot 70 cm in het leem- en ijzerhoudende keizand. Geertsma beheert momenteel het APAN-deel van de artefacten die APAN-lid Pieter Dijkstra kocht van Tjerk Vermaning. Dit is nagenoeg de helft van de totale collectie, de andere helft kocht Jan Evert Musch. Enkele daarvan komen later in het bezit van amateurarcheoloog Ewold Horn uit Rolde. De artefacten waren door het diepploegen bij een ruilverkaveling naar boven gekomen vanuit een diepte van 60 tot 70 cm. Daar zit ter plekke de voormalig oude permafrostlaag. Door cryoturbatie, een natuurlijke verkneding van het keileem, zijn de vuurstenen werktuigen afgesleten.
APAN vindt dat er niet goed rekening is gehouden met de invloed van de ruilverkaveling. Als het onderzoeksteam niet exact graaft op de locatie waar Geertsma zijn vondsten deed, dan is het ook onmogelijk te bepalen tot welke diepte de ruilverkaveling de bodem heeft verstoord op de vondstplek. Het diepploegen bij een ruilverkaveling gaat in principe zo diep als nodig is en dat varieert op een akker nogal eens. Eén specifieke diepte per akker is er niet. Dat blijkt ook uit een eerder onderzoek van Ad Wouters, hij stak een profielwand af in de slootwal pal grenzend aan de vindplaats. Daar bleek dat de bodem tekenen vertoonde van cryoturbatie, waardoor de bodem verplooid was geraakt. Dat was in de oude permafrost laag duidelijk zichtbaar. Zie afbeelding, b. Doordat het onderzoeksteam niet van plan was te graven op exact dezelfde locatie waar Geertsma zijn vondsten had opgegraven, kon er ook geen bewijs van een concentratie worden aangetoond.
Hoewel het team Roebroeks wel heeft gegraven en dit zelfs enkele vondsten heeft opgeleverd, was het onderzoek niet betrouwbaar genoeg om er conclusies uit te trekken. De amateurarcheologen van APAN die zelf onuitgenodigd naar de locatie kwamen en daar zelfs meehielpen, waren sceptisch over hoe het team Roebroeks te werk ging. Ze zagen de tekortkomingen van de opgravingsmethode. Hun twijfels en kritiek richtten zich op de methodologie, de nauwkeurigheid en de zorgvuldigheid. Team Roebroeks argumenteerde dat de boer het niet op prijs zou hebben gesteld als ze elders op de akker zouden graven.
Het team-Roebroeks heeft heel veel kansen laten liggen. Het was dan ook een onaangename verrassing voor Klaas Geertsma, toen provinciaal archeoloog Wijnand van der Sanden hem telefonisch meedeelde dat het team-Roebroeks concludeerde dat de Eemster artefacten vervalst waren. Opmerkelijk, omdat Roebroeks de Eemster vondsten nog als authentiek had verklaard, toen hij Glimmerveen aanspoorde een vondstmelding te doen bij de provinciaal archeoloog. De bekende argumenten waarmee Vermaning artefacten als vals waren bestempeld werden opnieuw ingezet. De artefacten zouden sterk afwijken van wat bekend is uit het Europese Midden-Paleolithicum en deze afwijkingen zouden niet wijzen op authenticiteit. Opnieuw werd de archeologische context, de afwijkende vuursteen en de afgeronde ribben, voldoende geacht om een vondst-locatie vals te verklaren. Ook Eemster zou een frauduleuze archeologische vindplaats zijn. Roebroeks steunt met zijn omstreden onderzoeksconclusies de a priori mening van Waterbolk.
Het Eemster Onderzoek: En toen ook nog een verdwenen studie.
In 1986 voerden petroloog dr. Henk Kars van de Rijksdienst Oudheidkundig Bodemonderzoek en chemisch geoloog dr. Ben Jansen, samen met enkele leden van de vereniging Aktieve Praktijk Archeologie Nederland, een ander onderzoeksproject uit op de locatie Eemster2. Dit onderzoek richtte zich op patina en andere oppervlaktekenmerken van artefacten. Ze kondigen een rapport aan dat in 1990 gepubliceerd zou worden, maar dit rapport komt nooit uit. De reden voor het in het niets verdwijnen van de Eemster-studie en het gebrek aan resultaten van het onderzoek blijft een raadsel voor de APAN amateurarcheologen. Gemaakte afspraken met dr. Kars worden door hem niet nagekomen. Hoewel het onderzoek aanvankelijk in een privé-sfeer werd uitgevoerd, is het later officieel vermeld als één van de R.O.B-werkzaamheden dat jaar. Na 1990 is er geen opvolgende vermelding van dit onderzoek te vinden in de jaarverslagen van de R.O.B. in Amersfoort. Een publicatie over de resultaten van dit onderzoek is er tot op heden niet.
Download.
▲ Profiel 1986: “Eemster, vanaf Lee, aan de weg, Schietveld ”. Prof. dr. Ben Jansen van de vakgroep “Chemische Geologie¨ Utrecht wijst de cyroturbate verplooiingen aan. De verkleuringen op een afslag gevonden op de vindplaats Eemster had de zelfde aankoekingen die identiek zijn van de kleur als in de cyroturbate matrix.
▲ Foto met, petroloog dr. Henk Kars van de Rijksdienst Oudheidkundig Bodemonderzoek (R.O.B.) en dr. Ben Jansen, chemisch geoloog, onderweg naar de locatie Eemster (Lheebroek) in het bijzijn van enkele leden van APAN, waaronder Klaas Geertsma en Ewold Horn. Waarom het rapport naar aanleiding van het onderzoek niet is gepresenteerd in 1990, blijft een raadsel voor de APAN-leden die de beide onderzoekers hadden uitgenodigd.
In het artikel “Eemster revisited" schrijft Pieter Dijkstra dat dr. H. Kars op 11 oktober 1997 verklaarde, dat hij nog niets had kunnen ondernemen om zijn onderzoek van de Vermaning vondsten af te ronden. Hij zou volgens het artikel in de Nieuwe Drentse Volksalmanak in een latere fase bij het “onderzoek” W. Roebroeks, M. Niekus en E. Rensink erbij hebben betrokken. Achteraf blijkt dat Roebroeks de amateurarcheoloog J. Glimmerveen van APAN tegenstrijdige informatie gaf over het materiaal dat hij had verzameld op de Eemster vindplaats. Zo zouden afgeronde ribben, al dan niet vergezeld van krassen, niet voorkomen op de stukken Eemster vuursteen die aan de oppervlakte waren verzameld. Dit is onjuist. Tijdens het onderzoek in het laboratorium van H. Kars in april 1988 had hij meerdere stukken waargenomen met afgeronde ribben en krassen. Bovendien werd na verwijdering van de horizont matrix in scheuren en holten de natuurlijke versheid van de silex zichtbaar. Hieruit blijkt dat men geen referenties heeft bestudeerd, terwijl W. Roebroeks en medeauteurs wel daarover schrijven in de Nieuwe Drentse Volksalmanak (blz.108 r.14). H. Kars zwijgt over het onderzoek dat hij had willen instellen naar de `”doffe niet transparante vuursteen die zwartgroen van kleur is” door middel van een slijpplaatmethode. In feite heeft H. Kars na 1989 niets meer ondernomen, behalve dan dat hij de Leemdijkbijl van Vermaning die niet van de Eemster vindplaats komt echt verklaarde, tot ontsteltenis van D. Stapert en zijn medestanders. Hij werd benoemd tot hoogleraar aan de Vrije Universiteit van Amsterdam en verklaarde op 11 oktober 1997 dat hij geen tijd meer heeft voor dit soort onderzoeken.
Pieter Dijkstra, schrijft in zijn artikel Eemster2 “Eemster revisited revieuwd" over een optelsom van gemiste kansen in de archeologie.
Download
Afbeelding b. is een foto van het bodemprofiel die is gemaakt in de afgestoken slootwal pal naast de Eemstersite. Opvallend is de verplooide permafrostlaag met daarin de ijzerhoudende laag in het oude bovenste deel. De plooien zijn veroorzaakt door cryoturbatie, natuurlijke verkneding. Afbeelding a toont het artefact dat door Klaas Geertsma is opgegraven en de roestbruine ijzeroxide-verwering daarvan. IJzerhoudende grond kan leiden tot een ijzerinfiltratie in de buitenste laag, de zogenaamde cortex. De verwering van dit artefact doet vermoeden dat het zich op of in de permafrostlaag heeft bevonden, zoals op afbeelding b. is te zien. De cortex is zeker niet een bewerking door de mens. Het is de natuurlijke korst of schil die zich vormt op de vuursteen tijdens de vorming en groei ervan. Op of in een cortex is vaak een witte calcietlaag te zien. Hier is de cortex bruin door het ijzer in de permafrostlaag op 60 tot 70 cm diepte. Hoewel het lijkt alsof de permafrostlaag niet is verstoord door werkzaamheden vanwege de ruilverkaveling, kan het zijn dat deze toch wel in kleine mate verstoord is. Daar is geen grondig onderzoek naar verricht. Over het algemeen kan een ruilverkaveling al grondverbetering opleveren bij ploegen tot een diepte van 30 tot 50 centimeter. Voedingsstoffen uit het organisch materiaal worden daardoor omgewoeld en vermengd. Op sommige plekken kan dieper geploegd zijn. Het is mogelijk dat de artefacten die Vermaning aan de oppervlakte verzamelde oorspronkelijk op een diepte van 60 tot 70 cm gelegen hebben.
Het lijkt er op dat de professionele archeologen die betrokken waren bij het onderzoek naar de Eemster-artefacten van Vermaning een motivatie hadden om Vermaning te blijven beschouwen als een vervalser van artefacten. De vraag is open of innerlijke onderliggende conflicten daarin een belangrijke rol spelen.
▲ De afbeeldingen tonen de groep Eemster 2 artefacten die zijn ontdekt door Klaas Geertsma, waaronder het Discoïde vuistbijltje dat in 1993 is gevonden. Schrabbertje, steelschrabber, steker, kleine discoide, schrabber met steker op de punt en een klein blokschrabbertje en een rugmes.
▲ Afb. b. Bodemprofiel, horizont matrix Eemster, vondst-voerende laag, tijdens de koudste fase van het weichsel- pleniglaciaal, 30.000 – 20.000 BP, cryoturbaat verplooid.
Geen aandacht meer voor artefacten van Eemster.
Na het verwerpen van de vindplaats Eemster door het Roebroeks-team geeft Klaas Geertsma niet op. Hij slaagt er jaren later in om een second opinion te krijgen voor de beoordeling van de vondsten. In 2005 benadert hij Harry Huisman, natuursteendeskundige van het Natuurmuseum in Groningen, om de Eemster-vondsten te evalueren. Huisman concludeert dat de vondsten zo echt zijn als maar kan. "Ik zou ze in ieder geval direct als authentiek hebben verklaard", zegt Huisman. Klaas Geertsma, amateurarcheoloog en bestuursafgevaardigde van de vereniging Aktieve Praktijk Archeologie, besluit de affaire rondom Tjerk Vermaning opnieuw onder de aandacht te brengen. Hij hoopt een nieuwe weg te vinden om de onschuld van Vermaning te bewijzen. Na het verschijnen van een krantenartikel hierover, blijft het opvallend stil aan de andere kant. Geertsma slaagt er niet in om de vindplaats Eemster verder onder de aandacht te brengen. Een gemiste kans om de waarheid aan het licht te brengen. Hoewel zeldzaam, komt zuidelijk vuursteen ook voor in Noord-Nederland, verklaart Huisman impliciet in het interview. Maar volgens Marcel Niekus, archeoloog en mede-auteur van het boek 'Valsheid in gesteente' 2022 waarin de vondsten van Vermaning als vervalsingen worden beschreven, ontbreekt het aan bewijs voor het voorkomen van zuidelijk vuursteen in Noord-Nederland. Niekus betwist de claims van Geertsma en Huisman. Hierdoor krijgen de Eemster artefacten na die tijd geen aandacht meer. De affaire Tjerk Vermaning wordt opnieuw verdoezeld.
▲ Een van de artefacten uit de collectie “Eemster 1” gevonden door Tjerk Vermaning. Bifaciaal 'Keilmesser' of 'wedgeknife'.
Op geologische schaal heeft Vermaning zijn ontdekkingen gedaan binnen een beperkt gebied, waarbij vuursteen soorten, bodem en bewerkingstechnieken gelijkenissen vertonen. Dit wijst erop dat de Neanderthalers gedurende een specifieke periode actief aanwezig waren in Noord-Nederland. Helaas hebben enkele professionele archeologen door het verwerpen van Vermaning's vondsten zichzelf in de hoek gedreven. Het is te hopen dat deze vondsten en de registraties ervan niet verloren gaan voor toekomstige onderzoekers met betere onderzoeksmethoden en kennis dan momenteel beschikbaar is. De beroepsarcheoloog Frans de Vries deed een oproep aan instanties om een project te starten om de Steentijd collecties op te schonen van vervalsingen. Het is logisch dat de verdedigers van Vermaning ervoor kiezen om de Eemster vondsten niet zomaar uit handen te geven, maar ze zorgvuldig bewaren en beschermen. De rechter bepaalde in 1978 dat de vuursteen vondsten van Vermaning die zijn aangekocht door de staat, zorgvuldig bewaard moeten blijven. Deze beslissing benadrukt het belang van het behoud van archeologisch erfgoed en het waarborgen van de kennis en geschiedenis die hieruit voortkomt. Was het de bedoeling dat Tjerk Vermaning en Ad Wouters zich zouden overgeven tijdens hun verdediging, omdat er zich achter de schermen meer had afgespeeld en wie vervalste? Negentig procent van de Vermaning vondsten, die opgeslagen liggen in het noordelijk archeologisch depot in Nuis, worden niet als vals aangemerkt. Dat zijn veelal de stukken uit het Neolithicum, Mesolithicum en het Laat-Paleolithicum.
Volgende pagina >